Techniek


Techniek

Vele aspecten

Tegenwoordig wordt er door wedstrijdspringers gesprongen
met carbonnen polsstokken met een lengte,
die tussen de negen en twaalf meter ligt.
Om goed te kunnen fierljeppen moet men beschikken
over zowel lenigheid als kracht,
waarbij een snel reactievermogen belangrijk is.
De fierljepper moet de volgende onderdelen beheersen:
het plaatsen van de polsstok, de aanloop, de afzet naar de polsstok, de insprong, het klimmen in de polsstok, de afsprong en de landing in het zandbed. Na de insprong volgt altijd een moment van spanning. Als de polsstok niet over het zgn. dode punt gaat, eindigt de sprong in het water. Gaat de polsstok langzaam over het dode punt, dan heeft de fierljepper voldoende tijd om te klimmen. In dat geval maakt hij doorgaans een goede sprong.

Plaatsing van de polsstok

Voordat men springt, wordt de polsstok in de juiste stand geplaatst. De zware voet rust op de bodem in het water, drie tot vier meter van de schans in een speciaal aangelegde grintbak. Het bovenste deel van de polsstok staat dichter bij de schans om een goede insprong mogelijk te maken.

Als de ljepper op de voorkant van de schans staat, wordt de polsstok meestal enkele centimeters voor de gestrekte arm gezet. Dat plaatsen van de polsstok is één van de belangrijkste voorbereidingen tot de sprong en vereist enige oefening. Bij een snelle aanloop en ook bij een meer horizontale afzet moet de polsstok verder worden geplaatst dan bij een minder snelle aanloop en een meer verticale afzet. Een fierljepper zal na een aantal sprongen de voor hem juiste afstand weten te vinden.

De polshouder houdt met een gaffelstok de polsstok in de juiste stand. Hij staat aan de zijkant van de schans. De lengte van de aanloop ligt doorgaans tussen de 20 en 25 meter. Dat deze afstand niet voor iedereen gelijk is, houdt verband met de loopsnelheid. Ook de stand van de polsstok heeft ermee te maken.

De insprong

De afzet geschiedt met één been. Met beide armen vooruit wordt naar de polsstok gesprongen, waarbij de benen aan weerszijden van de polsstok doorzwaaien. Bij de insprong wordt het lichaam zo dicht mogelijk tegen de polsstok geplaatst. Een goede afzet is belangrijk.

Het klimmen

Na de insprong volgt een moment van spanning. Als de polsstok niet over het dode punt gaat, eindigt de sprong in het water. Gaat de polsstok langzaam over het dode punt, wat voor de ljepper erg belangrijk is, dan heeft hij voldoende tijd om te klimmen. Dat klimmen geschiedt meestal met de schippersslag. Het is goed om tijdens het klimmen naar het topje van de polsstok te kijken.

De afsprong

Bij een goede afsprong wordt het lichaam krachtig van de polsstok geduwd. Doorgaans bevinden beide benen zich aan één kant van de polsstok en wordt een soort ondersprong uitgevoerd. De landing vindt plaats in een zandbed van rivierzand zoals eerder omschreven.