Geschiedenis


Van slootjespringen tot fierljeppen.

 

Kievitseieren

In het vroege voorjaar leggen kieviten hun eieren in de weilanden.

Voor Groningers en Friezen was het opzoeken van die eieren een geliefde bezigheid. Tijdens dat zoeken moest herhaaldelijk over een sloot worden gesprongen. Bij smalle sloten lukte dat gemakkelijk, bij bredere sloten kwam er een polsstok aan te pas.

Uit dat slootjespringen ontstonden vroeger wedstrijdjes. Er werd gebruik gemaakt van houten polsstokken, die doorgaans een lengte hadden van vier meter. Onderaan de polsstok was een achtkantig of rond blok gemonteerd van 4 centimeter dikte met een doorsnee van ruim 12 centimeter om wegzakken in de bodem te voorkomen.

Ontwikkeling

In het begin werd over sloten gesprongen, maar later trachtte men met langere polsstokken brede vaarten te overbruggen. Zo ontstond een nieuwe sport: fierljeppen.

Rond 1930 leek de manier van springen al veel op het tegenwoordige fierljeppen, er kwamen echte springarena’s zoals die in Grijpskerk waar de fierljepaccommodatie de naam “Grijpskerk Arena” heeft gekregen.

Officiële afmetingen voor de springschansen, de waterbreedte en het zandbed werden in de jaren vijftig vastgesteld.

Bij de eerste officiële wedstrijden werd vaak niet verder gesprongen dan een meter of tien.
Natuurlijk heeft de sport zich sindsdien erg ontwikkeld.

In 2006 heeft de sport een grote stap gezet met de introductie van polsstokken van Carbon (was aluminium).

Attractief

Het fierljeppen werd een interessante kijksport. In de zomermaanden komen dan ook talrijke belangstellenden de verrichtingen van de wedstrijd fierljeppers in Grijpskerk volgen.

Anderen komen naar Grijpskerk om op een zomerdag zelf de sport te beoefenen. Voor deze recreatiespringers is de gesprongen afstand minder belangrijk.

Daar telt vooral het droog bereiken van de overkant, zoals dat vroeger bij het slootjespringen het geval was.